|
D.H. Couveé:
|
||||
|
Politiek en publiciteit zijn Siamese tweelingen. De publiciteit
is het middel, waardoor de politiek poogt te overtuigen of te
ontzenuwen, te leiden of te misleiden, kortom: de politici aller
tijden hebben met behulp der publiciteit buitenstaanders in hun
plannen betrokken. Deze politieke publiciteit heeft haar eigen
geschiedenis: de geschiedenis van de journalistiek en deze is op
haar beurt vooral de geschiedenis van de krant, het
publiciteitsorgaan bij uitnemendheid.
Het is onmogelijk te zeggen waar, wanneer en door wie de krant nu eigenlijk is uitgevonden, immers de krant is ontstaan uit een geleidelijk gegroeide behoefte van de samenleving. Reeds in de twaalfde eeuw voelde Paus Innocentius IV aan hoe de publieke opinie hem zou kunnen steunen in zijn strijd tegen de Duitse keizer. Mechanische hulpmiddelen stonden hem nog niet ter beschikking; hij bediende zich daarom van de Orden der Bedelmonniken, die zijn standpunt vanuit Rome door geheel Europa tot in Denemarken rondvertelden. Zijn tegenstander Keizer Frederik II bestookte zijn mederegeerders en andere invloedrijke tijdgenoten in de omliggende landen met een waar spervuur van geschreven propagandastukken die zijn goed recht moesten bewijzen. Met het voortschrijden der geschiedenis wordt het vertrouwen der massa, dat de grote heren de zaken wel naar behoren zullen opknappen, kleiner en men begint hun handelingen nauwkeuriger en vooral critischer te bekijken. De kolossale stadsmuren der middeleeuwen vormen niet langer de grens van de belangstellingssfeer der mensen; men wil weten wat er achter de horizon gebeurt. Aanvankelijk zijn het vooral de kooplieden, die behoefte hebben aan nieuws. Zij willen weten wat de vorsten uitrichten met het geld dat zij hun leenden; waar de handelsvloten en -karavanen zich bevinden, die op hun kosten over de zeeën en door de landen zwerven; hoe de oogsten staan, waarvan hun handel afhankelijk is. En zie: zij organiseren postdiensten, die Europa in alle richtingen doorkruisen en bij hun zakenbrieven sluiten zij de courante maren, de laatste nieuwtjes uit hun omgeving in. Er ontstaat een uitgebreide nieuwsuitwisseling tussen grote handelssteden als Harnburg, Venetië, Antwerpen en Amsterdam. Uit deze oude koopmansbrieven ontstaan rond het jaar 1600 de eerste correspondentie-bureaux. Deels op eigen initiatief, deels in opdracht van de overheid ontstond een nieuw beroep: het verzamelen van al de berichten uit de verschillende koopmansbrieven. Met behulp van wat wij thans werkstudenten zouden noemen werd dit nieuws vele malen overgeschreven en als geschreven courant verkocht. Voor de rijke Hollandse en Vlaamse kooplieden was de zeer hoge prijs van deze couranten geen bezwaar. De vele Duitse vorstjes daarentegen konden zich een persoonlijke inschrijving niet permitteren en vormden grotere en kleinere groepjes samenlezers. Zo werden de geschreven couranten de bronnen van voorlichting en de verzadigingsmiddelen van de nieuwsgierigheid en sensatiezucht van de hogere standen op de wende van de zestiende en zeventiende eeuw. Inderdaad vormde de rubriek gemengd nieuws reeds een belangrijk onderdeel van de geschreven couranten. Maar ook de bonte menigte op markten en kermissen, in herbergen en kroegen, het enorme publiek van de vele, vele vertellers en liedjeszangers, dat zo. lang reeds luisterde naar de romantische en heroïsche geschiedenissen, die hun heersers over zichzelf lieten rondvertellen, kreeg behoefte aan meer nieuws en vooral aan meer voorlichting sinds de schok der reformatie het voor een persoonlijke keuze gesteld had. Al gedurende de gehele zestiende eeuw verschenen in steeds grotere hoeveelheden de zogenaamde Nieuwe Tydinghen. In de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden is de stroom van deze Nieuwe Tydinghen vooral na 1590 sterk gezwollen. Hoewel deze Tydinghen inderdaad nieuws bevatten, kunnen wij ze toch geen kranten noemen, daar de voorwaarden waaraan een krant moet voldoen, zijn: periodiciteit, dus verschijning met regelmatige tussenpozen, universaliteit, dus nieuws bevattend uit alle windstreken en publiciteit, dus grote verspreiding. Aan de eis der publiciteit hebben de Nieuwe Tydinghen inderdaad voldaan, daar zij gedrukt en laag van prijs waren en dus een groot publiek bereikten. Zij verschenen echter zeer onregelmatig met meestal niet meer dan één bericht, zodat zij periodiek noch universeel waren. De inhoud voor zover niet zuiver sensationeel werd meestal geïnspireerd door de plaatselijke overheid waarmee de drukker te maken had. Slechts sommige meest Noord Nederlandse drukkers gaven op eigen verantwoording Nieuwe Tydinghen uit. Het nieuwsbericht werd geillustreerd met een houtsnede of een kopergravure. In vele gevallen is de haast waarmee deze prenten om der wille van de actualiteit werden afgewerkt aan slordigheden te herkennen. Ook het gebruik van dezelfde afbeelding voor twee verschillende gebeurtenissen van overeenkomstige aard, b.v. veldslagen, kwam herhaaldelijk voor. De Nieuwe Tydinghen kunnen naar hun inhoud in drie grote groepen worden verdeeld en wel: de objectieve nieuwsberichten, de sensatie en de propaganda. De eerste groep, die der objectieve nieuwsmeldingen is verreweg de kleinste en vooral waar een overwinnaar in schijnbaar onafhankelijke bewoordingen zijn succes beschrijft, zal men dergelijke Tydinghen toch meer als propaganda dan als inlichting moeten beschouwen. De sensatie uitte zich in de eerste plaats in de beschrijving van wonderen als tekenen aan de hemel en bloedregens en verder vooral in verslagen van moordpartijen en terechtstellingen. De propaganda is van religieuze en niet van politiekeaard. Ditis begrijpelijk in eentijd waarin de staatkundige strijd geheel samenvalt met een enorme worsteling op godsdienstig gebied. Abraham Verhoeven, beëdigd drukker binnen de stad Antwerpen gaf de eerste decennia van de zeventiende eeuw vele duizenden Nieuwe Tydinghen uit. Hij begon zijn werk toen hij in het jaar 1605 van Albertus en Isabella, namens de Spaanse koning Hertoghen over de Zuidelijke Nederlanden, een privilege tot het drukken van Nieuwe Tydinghen verkreeg. Onder streng toezicht van kerkelijke en wereldlijke overheid heeft hij Tydinghen uitgegeven over de veldslagen van Spinola, over de godsdienstige twisten in Holland en over het verloop van de Dertigjarige oorlog in Centraal Europa. Verhoeven mag dan geen krantenuitgever in de ware zin des woords geweest zijn, een uitnemend journalist was hij ongetwijfeld. Zijn stijl was levendig, geestig en scherp. Zijn beschrijving van het feest te Antwerpen ter gelegenheid van het sluiten van het 12-jarig Bestand geeft een duidelijk beeld van de opgewekte vreugde die er in de stad heerste. Eerst brengt hij nauwkeurig verslag uit van de plechtige afkondiging, van de optocht en het vuurwerk om dan te vervolgen: "Ende dit en geschieden oock niet, sonder een groot vermaeck ende vrolickheyt vande ghebueren, den eenen ghebuer den ander beschenckende, betoonende alsoo de groote vreucht ende blijschap, die zij hadden in dese Treve ende Bestant. De borghers vande Stadt sijn nu al ofsij ontbonden waren, so gaen se nu wandelen buyten der stadt, als naer Berchem, Deuren ende meer andere plaetsen, het welcke haer in vele jaren niet en heeft moghen ghebeuren. Waer men ooc siet groote gereetschap maken (Om de huysen ende schoone Speelhoven, die door dese langhdurighe oorloghe verdestrueerdt sijn gheweest werom op te timmeren). Alle dinghen is buyten beter-coop als in de stadt. Een pot bier heeft men buyten een halven stuyver beter-coop als in de stadt". Zo gaat Verhoeven verder levendig verhalend van de opluchting van Antwerpen's burgerij nu zij weer vrij wandelen en handelen kan.
In Noord-Nederland vonden de drukkers van de Nieuwe Tydinghen hun stof vanzelfsprekend in de grote gebeurtenissen, die de opkomst van de Republiek der Verenigde Nederlanden begeleidden. Kort nadat Verhoeven zijn activiteit in Antwerpen begon, treffen wij Broer Jansz als uitgever van Nieuwe Tydinghen in Amsterdam aan. Hij noemde zich "Oudt Corantier in het Legher van Sijne Princcelijke Excellentie" (lees Prins Maurits). Wat deze titel precies inhield is niet bekend; in ieder geval schijnt Broer Jansz een der eersten, zo niet de eerste oorlogsverslaggever geweest te zijn. Het schijnt zeker, dat hij met het leger is meegetrokken, waar immers bekend is, dat de legers in die dagen en vooral een beroemd als dat van Maurits, alle mogelijke buitenstaanders die niet rechtstreeks met de gevechten te maken hadden met zich mee voerden. Twijfel bestaat omtrent de vraag of hij op last van Maurits meetrok, dus min of meer als zijn propagandist, dan wel door de Staten Generaal was toegevoegd als verslaggever. Gezien de verhouding tussen de Staten Generaal en de stadhouder, waarin de eersten de opdrachtgevers waren van de laatste, lijkt de veronderstelling dat Broer Jansz voor de Staten Generaal werkte de juiste. Verhoeven en Broer Jansz zijn slechts enkelen uit een groot aantal drukkers in vele Nederlandse steden, die zich met het drukken van Nieuwe Tydinghen hebben beziggehouden. De verspreiding is buitengewoon groot geweest. Hoewel de oplagen met de beperkte technische middelen, die de toenmalige drukkers ten dienste stonden, nooit veel meer dan ca. 500 exemplaren konden bedragen, werden vele van de belangrijkste Tydinghen herhaaldelijk herdrukt en door andere drukkers nagedrukt, zodat totaal oplagen van vele duizenden exemplaren voorkwamen. Inmiddels ontstaan vanaf 1618 in Amsterdam temidden van het vele grootse en nieuwe dat in die jaren in Holland tot stand werd gebracht de eerste Nederlandse couranten. De oudste Europese kranten waren reeds in 1609 te Straatsburg en te Wolffenbuettel verschenen. Met het ontstaan van de courante uyt Italien ende Duytschlandt &c., uitgegeven door Caspar van Hilten en gedrukt door Joris Veseler aen de Zuyderkercke in de Hope ontstaat tevens het oudste perscentrum van Europa. Daar van deze krant, waarvan het oudst bekende nummer dateert van 14 Juni 1618, inderdaad een gehele serie is teruggevonden kon vastgesteld worden, dat deze uitgave voldoet aan de drie eerder genoemde eisen van het begrip krant. De ontwikkeling van het drukkersvak, de toenemende intensiviteit en betrouwbaarheid der postverbindingen en de geestelijke behoeften van een volk, dat 'Zojuist zijn zelfstandigheid heeft bevochten en thans een staat van internationale betekenis gaat opbouwen, hebben het ontstaan van een krant nodig en mogelijk gemaakt. Ongeveer gelijktijdig met van Hilten is ook Broer Jansz met het uitgeven van kranten begonnen. Het oudste nummer dat wij van hem kennen is de extra, editie van 13 Mei 1619, bevattende een voortreffelijke reportage van de terechtstelling van Johan van 01denbarneveldt. Broer Jansz heeft eerst veel later en wel in 1629 zijn krant een naam gegeven en wel Tydinghen uit verscheyde quartieren. Trouwens over het algemeen werd door de oudste courantiers nog geen waarde gehecht aan een vaste naam. Aan opmaak en andere typografische verfraaiingen deed men nog niets en eigenlijk zijn het pas de periodieken van na 1750 die een verzorgde kop krijgen. De oudste kranten waren niet meer dan gedrukte exemplaren van de courant-brieven. Het verschijnen van de gedrukte kranten heeft geen onmiddellijk einde gemaakt aan het bestaan van de geschreven kranten en Nieuwe Tydinghen. Het drukken was nog een zeer tijdrovend werk. Na het zetten en stuk voor stuk afdrukken moesten de natte exemplaren gedroogd worden. Wie dan ook haast had met het lezen van zijn krantje kreeg tegen een verhoogd tarief een overgeschreven exemplaar. De term Nieuwe Tydingh raakt na 1620 weliswaar in onbruik, doch tot aan het einde van de achttiende eeuw verschenen er speciale beschrijvingen van grote gebeurtenissen, die alle kenmerken van Nieuwe Tydinghen bezaten. Dit is temeer begrijpelijk omdat de Nederlandse krant tot ca. 1780 uitsluitend nieuwsbron was. Commentaar op het nieuws, artikelen van algemene inhoud of een tendens namen de courantiers niet op. Elke vorm van redactie ontbreekt. De politieke strijd en de toelichting van het tijdsgebeuren, kortom alles wat wij tegenwoordig in het redactionele gedeelte vinden, moest men in die dagen in de pamfletten zoeken. Twee uitzonderingen op de algehele objectiviteit van de zeventiende eeuwse krant mogen wij hier niet onvermeld laten. De eerste is het bovengenoemde ooggetuigeverslag van Broer Jansz en de tweede een uitgave van de Opregte Haerlemmer over de moord op de Gebroeders de Witt. In beide gevallen blijkt de afkeer van de schrijvers van de door hen beschreven gebeurtenis. Over het persoonlijke leven van onze oudste courantiers is helaas niet veel bekend, doch wij mogen aannemen, dat hun bedrijven winstgevend geweest zijn, anders zouden zij niet zoveel navolgers gehad hebben. Niet alleen het aantal kranten doch ook hun verschijningsfrequentie neemt tussen 1620 en 1650 toe. Verschenen de eerste kranten nog maar één maal per week, Jan Jacobsz Bouman, een zwager n Broer Jansz gaf zijn Extra Europische Tydinghen reeds op Maandag en Zaterdag uit, terwijl bij de actieve courantier Matthijs van Meininga rond 1645 driemaalperweekdeeuropische Couranteverscheen. Van Meininga was tevens de eerste die een rubriek Laatste Nieuws invoerde. De Extra Ordinaire Advysen, uitgegeven door de zoon en opvolger van Caspar van Hilten, Jan van Hilten waren aanvankelijk een extra editie van de Courante uyt Duytschlandt ende ltalien &c., bevattende het nieuws uit Engeland en Scandinavië, dat altijd juist iets te laat binnenkwam voor de gewone editie. In de loop der tijden verloor de uitgave haar buitengewone karakter en kon zij als een gewone krant beschouwd worden. De grote bloei van het krantenwezen te Amsterdam heeft ook drukkers in andere steden tot het uitgeven van kranten geïnspireerd. In 1621 verschenen er reeds in Arnhem en Delft. Over deze couranten zijn vrijwel geen bijzonderheden bekend. Een van de belangrijkste medewerkers van Jan van Hilten, Abraham Casteleyn, richt na de dood van van Hilten een eigen blad op te Haarlem, de Weeckelijcke Courante van Europa. Enkele jaren later herdoopt Casteleyn zijn blad in Haerlemmer Courante en ten slotte in 1664 om concurrentie in Haarlem tegen te gaan in Opregte Haerlemmer Courant. Opregte betekende in dit verband de enig toegestane. Deze krant is in 1738 overgenomen door de drukkerij van de Enschedé's, welke drukkerij sindsdien gedurende haar gehele bestaan een krant heeft uitgegeven. Onder leiding van Johannes en Izaak Enschedé is de Opregte Haarlemmer uitgegroeid tot een der beste van de oude Nederlandse kranten. Vooral ook typografisch waren zij immer uitstekend verzorgd. In Den Haag heeft het ontstaan van een krant nogal wat voeten in de aarde gehad. Reeds in 1652 drukte Rammazeyn een nieuwsblad, dat echter ten gevolge van de vele schulden van de eigenaar spoedig weer ten gronde ging. De uit Gent afkomstige drukker De Maght probeerde het opnieuw in 1656. Deze heer gebruikte zijn krant vooral voor afpersing en hij werd dan ook al gauw uit Den Haag uitgewezen. De Haegsche Posttijdingen, in 1666 door Adriaen Vlack opgezet en enkele jaren later door Chrispijn Hoeckwater overgenomen, was een blijvertje en zal vooral bekend worden onder de naam s-Gravenhaegsche Courant. Dit blad is de jaren door nauw verbonden geweest met het stadhouderlijk hof en heeft vele fraaie nummers uitgegeven ter gelegenheid van bijzondere gebeurtenissen aan dat hof. De kunstige versieringen op deze bladen werden geheel opgebouwd uit zetmateriaal. Ook de andere grote steden van de Republiek kregen langzamerhand hun eigen stadscourant. Oorzaken van de snelle opbloei van het perswezen in de zeventiende eeuw zijn de grote belangstelling, die het publiek voor het wereldgebeuren had, een belangstelling die zeer begrijpelijk is bij een volk dat zelf actief in dit gebeuren ingreep, en de betrekkelijk grote mate van persvrijheid die dit land in die jaren kende. Deze vrijheid bestond vooral in de buitenlandse berichtgeving en het is duidelijk, dat zij naast de traditionele verdraagzaamheid van ons volk vooral een gevolg was van de sterke diplomatieke positie van de Staten Generaal. De Heren Staten konden het zich veroorloven buitenlandse protesten tegen,de inhoud van de Nederlandse kranten met een dooddoener af te handelen. De betekenis van Nederland als eerste Europese perscentrum werd nog verhoogd door het hier te lande verschijnen van de eerste Franse en Engelse kranten. De eerste Franse kranten vallen uiteen in twee groepen en wel, de letterlijke vertalingen van de Nederlandse en meestal uitgegeven door dezelfde uitgever, en de geheel zelfstandige, oorspronkelijk Franse bladen. De kranten van de laatste groep werden uitgegeven door uit hun land verdreven Fransen. Hoewel deze Gazettes de Hollande in vele landen verboden waren, hebben zij een reusachtige verspreiding gehad. Vooral in Frankrijk zijn zij in grote hoeveelheden binnengesmokkeld en daar nog weer door hun lezers overgeschreven en verder verspreid. Wanneer dan ook in 1672 het grote aantal anti-Franse boeken en pamfletten dat in de Nederlanden verschijnt als een der redenen tot het openen der vijandelijkheden in de oorlogsverklaring van de Franse koning aan de Republiek wordt genoemd, komt dit zeker voor een groot deel op rekening van deze kranten. De beroemdste Gazette de Hollande was wel de Nouvelles Extraordinaires de divers Endroits, uitgegeven door de familie Luzac. In de wandeling noemde men deze naar de plaats van uitgifte Gazette de Leide. Deze Gazette de Leide kan men de Times van de zeventiende eeuw noemen. De uitgevers hielden nauw contact met de mee'st vooraanstaande figuren uit Europa. Herhaaldelijk hebben vorsten en diplomaten gepoogd de krant van Luzac aan hun propaganda dienstbaar te maken, echter zonder succes. De Gazette de Leide bleef een gezaghebbend, onafhankelijk wereldblad. De Gentenaar Pieter van der Keere, van beroep plaatsnijder en boekdrukker, is de uitgever van de eerste Engelse krant. Tien jaar lang had van der Keere zijn beroep in Londen uitgeoefend en daar kennis gemaakt met het merkwaardige Engelse voorschrift dat buitenlands nieuws uitsluitend verspreid mocht worden, indien rechtstreeks uit het buitenland afkomstig. Geen Engelse drukker mocht dus berichten uit vreemde landen publiceren. Na zijn verblijf in Londen vestigde van der Keere zich te Amsterdam en kwam in aanraking met de oudste courantiers. Hier kreeg hij nu het idee de Hollandse kranten in het Engels te vertalen en naar Engeland uit te voeren. Zulke vertalingen zouden daar immers vrij verkocht mogen worden. De eerste Engelse krant heette net zoals de eerste Nederlandse: Corant out oflItaly and Germany &c en verscheen in 1620. De bestejournalisten uit deze begintijd zijn ongetwijfeld de uitgevers van de Gazettes de Hollande geweest. Hun Hollandse collega's zijn zeker bekwame drukkers geweest, doch van het samenstellen van een aantrekkelijke, goed leesbare krant hadden zij geen kaas gegeten. De al eerder aangeduide volstrekte objectiviteit lijkt voor de door een overdaad van leuzen geplaagde twintigste eeuwse krantenlezer wellicht een ideale toestand, maar in werkelijkheid was dit de objectiviteit der onkunde en van een dodelijke vervelendheid. Men nam alles maar op in volgorde van binnenkomst. De meest sensationele mededelingen vindt men in een enkel regeltje verscholen tussen hofpraatjes over de Czaar van Rusland en nietig plaatselijk nieuws. Enig onderscheid voor wat betrouwbare en wat onbetrouwbare nieuwsbronnen waren bezaten deze courantiers niet en de dementies van eerder verschenen berichten waren legio. Het best wordt het falen van de vroege journalistiek getoond met de woorden van de schilderachtige achttiende eeuwse avonturier Jacob Campo Weyerman. Deze Weyerman, een aartsschelm ongetwijfeld, maar desondanks een verdienstelij k schilder en een begaafd publicist, schreef eens in zijn blad de Hermes:"lndienNederland, of maar een Provincie van Nederland een courantier bezat, die courant beschreef in goed eenvoudig Nederduits, zonder te borduren met de onverstaanbare woorden als Regalia, huisclos, Systema, Gala en et ceteras, indien hij als goed stofscheider het onrijp nieuws van het rijp en de schijn van de waarheid wist te schiften en indien hij zijn leezers een beknopte indruk van het nieuws wist te geven dan zou hij een sneeuwwite rave zijn". Ondanks dit lage journalistieke peil is de lectuur van deze oude kranten hoogst amusant. Hoe frappeert het bericht, uit de oudst bekende Nederlandse krant van 14 Juni 1618 ons, waarin gemeld wordt, dat de Moscovitische gezant er bij de Heren Staten op heeft aangedrongen Rusland hulp te verlenen in geld en wapenen. En hoe weinig instructief moet voor de tijdgenoot de verslaggeving over de Ruyter's tocht naar Chatham geweest zijn, waar hij de bérichten hierover in de volgende drie meldingen, verschenen met tussenpozen van een week te lezen kreeg: "Uit Londen wordt gemeld, dat de Ruyter voor Chatham is verslagen. Er worden grote volksfeesten georganiseerd". "Uit Lissabon wordt gemeld dat aldaar geruchten gaan over een grote overwinning van de Ruyter voor Chatham". "Uit Londen wordt gemeld, dat de feesten in verband met de overwinning op de Ruyter zijn afgelast". De dorheid van de inhoud van de Amsterdamse kranten werd vanaf 1672, in welk jaar de stadsregering het drukken ervan van haar hoge toestemming afhankelijk stelde, nog erger. In 1672 kende Amsterdam vier verschillende kranten. De uitgevers daarvan kregen allen toestemming om met hun werk door te gaan, zij het onder toezicht van de stad en met de titel Stadscourantendrukker. De kranten kregen de naam Amsterdamsche Courant en droegen voortaan het stadswapen in de kop. De Amsterdamsche Courant verscheen drie maal per week. De Dinsdagse en Vrijdagse uitgave werd bij toerbeurt door twee van de vier drukkers verzorgd, de Zaterdagse door allen gezamenlijk. Toen een vijftiental jaren later de vier drukkers waren overleden werd Willem Arnold als enige stadscourantendrukker aangesteld en verkreeg daarvoor als tegemoetkoming "een vooraanzitting in de Westerkerk" toegewezen "tot gehoor van Gods Heilig Woord". Deze stadsinvloed nam hand over hand toe en tenslotte was het gehele bedrijf in handen van de overheid; de courantier was gemeente-ambtenaar geworden. Hierboven werd reeds aangeduid dat het drukken van de oude kranten een tijdrovend werk was. De eerste nummers van 1618 zijn slechts aan één zijde bedrukte folio vellen. Dit formaat is tot aan de negentiende eeuw in zwang gebleven. In 1619 zijn de kranten echter al tweezijdig en spoedig daarna werden al dubbele kranten, twee vellen aan elkaar, uitgegeven. Evenals de boekdrukkers van die jaren, trouwens de courantiers waren tevens boekdrukkers, gebruikte men de gotische letters. Eerst op het einde van de zeventiende eeuw werd het latijnse alphabet ingevoerd. In het begin waren de oplagen niet groter dan 600 exemplaren, na 1750 loopt dit op tot 6 á7000 exemplaren. Deze werden gedrukt op "gemeen" papier met uitzondering van een klein aantal waarvoor fijn papier gebruikt werd en dat bestemd was voor de burgemeesters en andere notabelen. De knechts kregen de misdrukken ten geschenke. Het technisch personeel werd over het algemeen goed betaald en de meeste typografen bleven dan ook vele tientallen jaren aan hetzelfde bedrijf verbonden. Het werk was echter zwaar. Zo schreef de instructie van de Amsterdamsche Courant voor dat de meesterknecht en zijn helpers op de dagen voor het verschijnen van de krant, dat was dus drie maal per week des morgens om zes uur, met hun potjen eten bij zich aanwezig moesten zijn en dat zij niet voor des nachts 2 uur naar huis mochten gaan. Met wat voor materiaal deze drukkers werkten blijkt uit onderstaande inventaris van de Amsterdamsche Courant van het jaar 1767: 2 Drukperssen, drukbanken en drukbollen, 1 yseren kachgel, 1 kopere loogketel, 1 loogmoudt en bak met lood bekleed, 1 kopere aschemrner, 2 kopere olyketels, 2 ysere treeften, 6 paar letterkassen, 1 corrigeersteen, Gallyen, ysere raemen, houte bakken en planken, oly etc. (vankaerssen, lak, zwartsel was geen voorraedt), 400 letters na gissing en letterzettersgereedschap, 4 Lessenaers en 6 stoelen op het comptoir van de schrijvers, 40 tonnen turf op de vliering, nog 384 riem gemeen papier á fl 1. 15, 50 dito fijn á 3.- per riem. Het salaris van het journalistieke personeel was in tegenstelling tot dat van de drukkers zeer slecht. Wel hadden zij recht op pensioen, iets waarop de typografen geen aanspraak konden maken. De taak van de medewerkers was geen sinecure. De Graaff bijvoorbeeld, jarenlang translateur bij de Amsterdamsche Courant, vertaalde uit het Latijn, Frans, Duits, Engels, Spaans, Portugees, Italiaans en Hoogduits. De man klaagde evenals trouwens zijn collega's van "redactie en administratie" voortdurend over zijn veel te lage salaris. Deze De Graaff schijnt de strenge instructie van het stadsbestuur als een voortdurende rem op zijn journalistieke bekwaamheid gevoeld te hebben. Ondanks het voorschrift dat uitsluitend "solides nouvelles" mochten worden geplaatst, nam hij telkens weer enkele "jolies nouvelles" op. Hij kwam eerst recht in moeilijkheden toen hij een bericht opnam over een dreigende opstand in Zweden. Alleen al met het opnemen hiervan was hij volgens de angstige buréemeesters in overtreding; toen echter bleek dat het bericht in het geheel niet, zoals de Graaff beweerde, was overgenomen uit de Altonase Courant maar aan zijn fantasie ontsproten was, hing zijn baantje aan een zijden draad. Van correspondenten werd zeer veel gebruik gemaakt, vooral door de Haerlemmer Courant die uitblonk door volledige en veelzijdige berichtgeving. Dit blad had behalve een aantal binnenlandse berichtgevers, correspondenten in Oostende, Hamburg, Londen, Rome, Frankfort, Keulen, Brussel, Parijs, Regensburg, Venetië, Luik, Leipzig en Dresden. De inhoud van de zeventiende en achttiende eeuwse kranten is drieledig. Eerst een algemeen gedeelte met hoofdzakelijk buitenlands nieuws en officieel binnenlands nieuws. Vervolgens Zee- en Handelstijdingen. Aan dit gedeelte werd veel belang gehecht en meer dan eens werden zojuist binnengekomen handelsberichten opgenomen ten. koste van eerder ontvangen nieuwsmeldingen. Tenslotte het derde gedeelte, de advertenties. Reeds omstreeks 1630 namen de kranten advertenties, of om met een woord van die tijd te spreken, advertissementen op. De boekverkopers zijn de eersten geweest die van dit reclamemiddel hebben gebruik gemaakt. Zij richtten zich dan ook tot hetzelfde publiek als de courantiers en bovendien verkochten zij de kranten in hun winkels. Onmiddellijk na de boekverkopers verschenen de diverse overheden als adverteerders. Allerlei regeringsmaatregelen worden via advertenties bekend gemaakt en zo zien we tussen 1634 en 1636 in van Hilten's krant een hele reeks advertenties betreffende de oprichting van Utrecht's Illustre Schole, de Utrechtse universiteit. Ook particulieren begonnen nu te adverteren en we kunnen lezen hoe reeds in die tijden de hondjes wegliepen en eenzame zielen langs een meer en meer gebruikelijke weg hun geluk zochten. Deze advertenties werden in vele gevallen overdwars in de marge gedrukt. Zij geven een alleraardigst beeld van het dagelijkse doen en laten van onze voorouders. Zoals ook de krant de laatste pagina reserveert voor advertenties, zo moge ook dit verhaal over de zeventiende en achttiende eeuwse kranten besluiten met een advertentie en wel een uit de Vrijgeboorne Hollander of Orangje Patriot van 5 September 1748.
BEKENTMAAKING By den Drukster deezes, werd in Commissie verkogt, de opregte HAAGZE TANDPOEDER, die alle Gebreeken in de Mond wegneemd; Als een stinkende Adem, verrot Tand-Vlees, de Kalk-agtigheid die rondom de Tanden gegroeid is, losze Tanden vast maakd en killige Tanden zuiverd en het kwaad daar de Killinge uit voor komt doed op houden, zwarte Tanden zuiverd, glanzig en wit maakt ook alle Slym uit de Mond dryft en maakt een heele lieffelyke Uitwazeming en Adem; Men mag het zelve zonder eenige bekommernis wel door slikken. Het gebruik van deeze POEDER is tweemaal á driemaal daags, de Vinger in de Mond wat nat gemaakt en in de Poeder gestooken, dan de Tanden daar meede gewreeven, dat gedagt zynde de Mond met schoon Water uitgespoeld, zo zult gy bevinden dat deeze POEDER een preservatief Middel voor het behoud der Mond en Tanden is. |
|||||
|
Deze pagina is voor het laatst gewijzigd op 15 mei 2000. U kunt mij via E-mail bereiken op: j.helwig@wxs.nl. |
||||